Sommige stedenbouwkundige en architectonische structuren doorstaan de tand destijds beter doordat ze een bepaalde mate van flexibiliteit in zich hebben. Blokken hoeven niet meteen met de grond gelijk gemaakt te worden omdat ze eenvoudig zijn aan te passen aan de huidige woonwensen. De gebouwde woningvoorraad overleeft op die plekken relatief eenvoudig de economische afschrijftermijn. De huidige toevoegingen aan de woningvoorraad hebben niet altijd deze eigenschap. Er is veel gepubliceerd over flexibel bouwen, maar toch gebeurt het veel te weinig in de praktijk. Het onderzoek zal zich focusses op de vraag waarom er zo weinig flexibel gebouwd wordt. Op dit moment is Piek bezig met een literatuurstudie om de relevante onderzoeksvragen te kunnen formuleren. Voor het onderzoek zullen we in ieder geval financiering aanvragen bij het Stimuleringsfonds voor Architectuur (SFa). Onderzoeksbureau OTB-Delft, SBR , Woonstad Rotterdam en Aedes zullen waarschijnlijk deelnemen in een klankbordgroep
De United Nations Climate Change Conference in Copenhagen, All Gore met ´An inconvenient truth´, de London School of Economics met het project ´Urban Age´, het Planbureau voor de Leefomgeving met projecten als ´de duurzame stad´ en ´intensivering van het bestaand stedelijk gebied´, Rotterdam met The Rotterdam Climate initiative, het SBR met 'transformatie van kantoorgebouwen', .. zomaar een selectie van patijen, publiek, privaat die al dan niet verenigd op verschillende schaalniveaus, internationaal, nationaal, regionaal en of lokaal op verschillende beleids- lagen en terreinen bezig zijn onze leefomgeving duurzamer in te richten of op zijn minst een bewustzijn te kweken dat een duurzamer houding naar onze leefomgeving noodzakelijk is. In deze discussie staat vaak de bebouwde omgeving centraal. Met veel energie wordt nagedacht hoe onze oude woningvoorraad energiezuiniger kan worden, hoe we om moeten gaan met de veranderende ruimtelijke voorwaarden in onze delta onder invloed van een stijgende zeespiegel en toenemende aanvoer van water via onze rivieren, hoe we leegstaande kantoorgebouwen kunnen transformeren zodat deze geschikt zijn voor een andere functie etc. Aan deze schier oneindige lijst van initiatieven, processen, onderzoeken en ander duurzame activiteiten ontbreekt ons inziens toch nog een belangrijke benadering. Er wordt veel energie gestoken in onderzoek naar hoe om te gaan met de bestaande bebouwde voorraad, transformatie van kantoorgebouwen en het 'Urban Age'-project zijn daar een voorbeeld van.
Maar, is het niet veel duurzamer vooraf na te denken over het mogelijke toekomstige gebruik van gebouwde structuren om te voorkomen later, door bijvoorbeeld een op de aanbod achterblijvende vraagmarkt of door veranderende woonwensen, met een scheefgroei in de voorraad geconfronteerd te worden? Voor de komende dertig jaar staan we in de Randstad voor een flinke nieuwbouwopgave. Volgens de Structuurvisie Randstad 2040 moeten er alleen al in de Randstad tenminste 500.000 nieuwe woningen gebouwd worden. Volgens deze structuurvisie moet 40 procent daarvan in het bestaand stedelijk gebied van 2000 terecht komen. Het College van Rijksadviseurs ondersteund door de Motie Wiegman, legt de lat een stuk hoger en gaat uit van 80 procent, ofwel minstens 400.000 woningen tot 2040. Gezien de grootte van de opgave en de daarmee gepaard gaande dichtheden zal een groot deel hiervan uitgevoerd worden als meergezinswoning. Naast deze nieuwbouwopgave vindt binnen het stedelijk gebied veel herstructurering van de bestaande voorraad plaats. Daar kan zelden gebruik worden gemaakt van de bestaande cascos. Met een opgave van 400.000 woningen in de Randstad voor de komende 30 jaar moeten is het verstandig om deze voorraad zo te ontwerpen dat deze over 30 jaar niet ook voor een groot deel gesloopt moet worden om tegemoet te kunnen komen aan de dan geldende woonwensen.
Binnen de bestaande woningvoorraad doorstaan sommige architectonische structuren de tand destijds beter doordat ze een bepaalde mate van flexibiliteit in zich hebben. Deze structuren/ bouwblokken (in de praktijk vaak vooroorlogs) hoeven niet meteen met de grond gelijk gemaakt te worden omdat ze relatief eenvoudig zijn aan te passen aan de huidige woonwensen. De gebouwde woningvoorraad overleeft op die plekken eenvoudig meermalen de economische afschrijftermijn vanwege een flexibel bouwkundig/architectonisch en of stedenbouwkundig casco. Er is veel bekend over flexibel bouwen, er zijn genoeg voorbeelden waarvan we zouden kunnen leren om ervoor zorg te dragen dat de nieuw gebouwde voorraad over dertig jaar niet onnodig afgeschreven hoeft te worden. Maar toch wordt er nauwelijk flexibel gebouwd, hoe komt dat?